De kracht van kwetsbaarheid en dromen. Interview met Peter Dierinck
Inspiratie voor vrijwilligersIn een wereld waarin geestelijke gezondheidszorg vaak draait om diagnoses en protocollen, pleit psycholoog Peter Dierinck voor een meer menselijke benadering. Met meer dan vier decennia ervaring in de psychiatrie heeft hij een unieke kijk op de vermaatschappelijking van de zorg en het belang van persoonlijke dromen en kwetsbaarheid in het herstelproces. In dit interview deelt hij zijn inzichten over hoe we als samenleving, hulpverleners en vrijwilligers beter kunnen aansluiten bij de behoeften van mensen met psychische kwetsbaarheden en andere mensen die op een of andere manier uitsluiting ervaren. Dierinck neemt ons mee in een wereld waarin wederkerigheid, presentie en erkenning van iemands volledige mens-zijn centraal staan, en waarin dromen een krachtig middel zijn voor hoop en herstel.
Wat inspireert je om te pleiten voor meer vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg?
Ik begon als psycholoog in de jaren '80, en toen was vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg nog geen thema. Wat me opviel, was dat veel mensen zeer lang werden opgenomen—soms al sinds de jaren '50. Er waren dus patiënten die al 30 jaar opgenomen waren, en het leek niet meer de bedoeling om hen opnieuw deel te laten uitmaken van de maatschappij. Ze waren geïnstitutionaliseerd: helemaal aangepast aan het leven in het instituut. Op het terrein was er zelfs een winkeltje, uitgebaat door personeel, waar de patiënten naartoe gingen. Zelfs als consument waren ze dus in de eerste plaats patiënt. Hun hele identiteit viel samen met hun patiënt-zijn.
In die periode merkte ik dat als je goed naar mensen luistert, je zal merken dat hun dromen en verlangens vaak ondergesneeuwd zijn onder het patiënt-zijn. Ze zijn soms vergeten waar ze ooit van droomden, wat begrijpelijk is gezien hun situatie. Dat is dus de groep waarmee ik aan de slag ga, al is dat nu dan op een afdeling die er wel al heel erg mee bezig is om mensen te begeleiden om terug naar buiten te gaan. De grote meerwaarde van de vermaatschappelijking van de zorg is dus dat mensen langer thuis kunnen blijven en zorg aan huis kunnen krijgen.
In je boeken en columns spreek je vaak over ‘kwartiermaken’. Maar wat is dat precies?
Kwartiermaken draait om het creëren van gastvrije en inclusieve plekken buiten de geestelijke gezondheidszorg, bijvoorbeeld op het gebied van werk, woonst en vrije tijd. Denk aan buurtcentra en werkplekken die zo inclusief mogelijk zijn. Kwartiermakers zijn mensen die vanuit de geestelijke gezondheidszorg vertrekken en naar die inclusieve plekken toe werken, zodat de drempel lager is voor mensen met een psychische kwetsbaarheid om ernaartoe te gaan.
Als je het radicaal bekijkt, zou je kunnen zeggen dat de focus verschuift van het veranderen van mensen om hen deel te laten uitmaken van de maatschappij, naar het veranderen van de maatschappij zodat mensen kunnen deelnemen zoals ze zijn. Het is een sociale actie, bijna politiek, en het gaat ook over het doorbreken van stigma's en taboes. Je vertrekt altijd vanuit wat iemand wil, niet vanuit wat jij denkt dat het beste is als hulpverlener. Daarom vind ik jullie project Dromenvangers ook zo mooi. Voor mij is het therapeutische proces het ontrafelen van de droom van iemand en dan op zoek gaan naar waar die persoon kan landen.
Kunnen vrijwilligers ook aan kwartiermaken doen, of is het iets dat enkel door professionals gedaan kan worden?
Vrijwilligers zijn net als ervaringsdeskundigen en anderen met een psychische kwetsbaarheid juist heel goed in kwartiermaken. Ze praten over psychische kwetsbaarheid op een verstaanbare manier en creëren zo ruimte in de hoofden van anderen. Wat ik geleerd heb, is dat patiënten soms het gevoel kunnen krijgen dat je als vrijwilliger iets komt halen. En dat is moeilijk, omdat je dan in een ongelijke positie zit en je eigen kwetsbaarheid misschien niet durft tonen. Daarom zeg ik: deel gerust iets van je eigen kwetsbaarheid. Daardoor, ontstaat er immers een gelijkwaardigere relatie.
En dat is waar kwartiermaken bij helpt: de persoon in kwestie ontdekt, dankzij het vinden van gastvrije plekken buiten de geestelijke gezondheidszorg, dat hij iets kan geven aan anderen en niet per se iets hoeft te ontvangen. Het gaat erom dat mensen, zeker na een lange opname, opnieuw voelen dat ze iets betekenen voor anderen.
Kan kwartiermaken ook nuttig zijn in andere omgevingen dan in de psychiatrie? Bijvoorbeeld in woonzorgcentra of voorzieningen voor mensen met een beperking?
Ja, absoluut. Kwartiermaken is niet noodzakelijk verbonden aan de psychiatrie, maar gaat over uitsluiting in het algemeen. Denk aan mensen die worden uitgesloten vanwege hun huidskleur, seksuele voorkeur, leeftijd of mentale beperking. Met die mensen kan je ook kwartiermaken. De kracht van kwartiermaken is dat je iemand in de eerste plaats als burger bekijkt, met rechten en plichten, en niet als patiënt. Dit inclusieve denken toepassen in de psychiatrie is bijna een statement. Het gaat erom dat je mensen ziet als meer dan hun ziektebeeld.
Daarom vind ik het belangrijk om mensen die zijn opgenomen in een psychiatrisch centrum gewoon 'patiënt' te blijven noemen, net zoals we dat doen in een gewoon ziekenhuis. Het probleem is dat de term 'patiënt' zo’n stigma heeft gekregen dat het bijna als een scheldwoord wordt ervaren. Maar als je iemand patiënt noemt en tegelijkertijd erkent dat die persoon buiten de opname ook gewoon een vader, moeder of iets anders is, dan is diegene een patiënt zoals ik dat ook ben bij de huisarts.
Interessante opmerking. Er is een trend om woorden als patiënt of cliënt te vermijden en te kiezen voor termen als zorggebruiker of zorgvrager. Hoe staat u daar tegenover?
Ik vrees dat het gebruiken van deze andere woorden het taboe zelfs kan bevestigen. Als je telkens nieuwe namen moet vinden omdat de oude negatief beladen raken, blijf je rond het taboe cirkelen. Daarom ben ik geneigd om het woord patiënt te blijven gebruiken, er is niets mis mee om dat zo te benoemen.
In uw boek beschrijft u kwartiermaken als een vorm van georganiseerde vriendschap. Hoe ziet u de rol van vriendschap en sociale verbinding in het herstelproces van patiënten?
Als je erbij stilstaat is de psychiatrie erg isolerend ingericht, wat uiteraard een gekke keuze is, want dat is het tegenovergestelde van verbinding. Verbinding draait om wederkerigheid: "ik doe iets voor jou, jij doet iets voor mij." Dat kan in kleine dingen zitten, zoals wanneer een patiënt merkt dat ik slecht ben in de weg vinden en hij mij kan helpen. Door mijn kwetsbaarheid naar voren te brengen, kan de ander zich sterker voelen.
Hoe zou ik die vriendschap omschrijven? Het is een vorm van nabijheid, van presentie, zoals ook in jullie naam naar voren komt. Er is warmte en genegenheid, elementen die vroeger misschien niet pasten binnen de traditionele hulpverlening vanwege de nadruk op professionele afstand. Die afstand laten we nu wat meer los, denk ik. Natuurlijk houd je bepaalde grenzen in de gaten; je blijft je ervan bewust dat er geen volledige wederkerigheid is. Vanuit mijn vriendschap met deze mensen moet ik hen niet belasten met mijn eigen problemen. Dat betekent dat ik sommige dingen voor mezelf houd. In die zin is het geen klassieke vriendschap, want in een echte vriendschap deel je alles met elkaar. Maar hier ben je vooral ontvankelijk voor de problemen van de ander, zonder de behoefte om die meteen te diagnosticeren of als ziekte te bestempelen. Het gaat om erkenning van hun ervaringen, van het proberen te overleven in hun leven, dat vaak zwaarder is geweest dan dat van de meeste mensen. Daarin schuilt de vriendschap: in het erkennen van hun leed en het aanwezig zijn voor hen.
Bereikbaarheid is ook belangrijk. Je blijft betrokken zonder dat je jezelf doelen of plannen oplegt. En je richt je op het alledaagse leven, op alle aspecten van hun bestaan, niet alleen op bepaalde delen. Vaak zie je dat dossiers worden doorgegeven waarin alleen de ziektegeschiedenis staat: de eerste opname, de volgende behandeling, enzovoort. Maar wat er allemaal aan voorafging, wat iemand in zijn leven heeft meegemaakt, wordt vaak niet doorgegeven.
Wat is uw kijk op het huidige systeem van psychiatrie en de beperkingen ervan?
Het huidige systeem heeft zeker beperkingen, vooral in de manier waarop veiligheid en isolement worden gehanteerd. Soms wordt isolement gezien als een manier om veiligheid te garanderen, maar dat kan juist de angst en het onveiligheidsgevoel van de patiënt vergroten. In plaats van iemand alleen te laten in een isoleercel, zou je moeten zorgen voor begeleiding en aanwezigheid. Het systeem is vaak meer gericht op procedures dan op de noden van de patiënt, en dat is een groot probleem.
Er zijn dus alternatieven nodig waarbij de focus ligt op verbinding in plaats van isolement. Dit vergt een fundamentele verandering in hoe we in de traditionele psychiatrie over geestelijke gezondheidszorg denken en met de patiënten omgaan.
In uw boeken gaat het ook over de overvloed aan diagnostiek binnen de psychiatrie. Soms lijkt het alsof mensen gereduceerd worden tot een label. Hoe kunnen we hierin een betere balans vinden?
Diagnostiek richt zich vaak op wat iemand niet kan. Ik leg veel nadruk op die herstelondersteunende beweging binnen de psychiatrie. In plaats van te focussen op beperkingen, zou de vraag moeten zijn: wat zijn je wensen en verlangens? En hoe kunnen we daarbij helpen? De problemen kunnen dan later aangepakt worden, maar ze mogen niet het uitgangspunt zijn.
Diagnostiek is nuttig, bijvoorbeeld om te weten wat te verwachten bij een psychose. Maar het gevaar is dat je als hulpverlener te veel vertrouwt op je kennis van diagnostiek, waardoor je vergeet om echt samen met de patiënt op weg te gaan, niet wetende waar je uitkomt, maar wel bereid om tijd te investeren in die reis.
Voor vrijwilligers kan het nuttig zijn om diagnostische termen te begrijpen om beter te kunnen omgaan met verschillende situaties. Maar het gebruik van termen kan ook afstand scheppen. Het is fijner om begrip te creëren vanuit het levensverhaal van iemand, niet vanuit een ziektebeeld. Bij trauma bijvoorbeeld, ontwikkelen mensen vaak gedragingen die ooit nodig waren om te overleven, maar die nu niet meer passen. Die gedragingen zijn begrijpelijker als je weet wat iemand heeft meegemaakt, dan wanneer je ze alleen als symptomen van een ziekte ziet.
U stelt dat herstel niet gelijkstaat aan genezing, maar aan het leren zien van kwetsbaarheden en talenten, oftewel ‘vorm geven aan je lijden’. Hoe kan je dit proces, als vrijwilliger of familie, beter ondersteunen? Kunnen ervaringsdeskundigen hier een belangrijke rol in spelen?
Ik denk dat het belangrijk is om die persoon in de eerste plaats als mens te zien. Hulpverleners spelen hierin een grote rol, omdat mensen soms verrassende dingen kunnen doen of zeggen die voor een vrijwilliger of familielid schokkend kunnen zijn. Een professional kan dan de verbinding maken en uitleg geven. Durf als vrijwilliger of naaste vragen te stellen. Dit maakt contact mogelijk en als dat goed werkt, kan een vrijwilliger ook anderen begeleiden die hier minder ervaring mee hebben.
Als ik terugkijk op ons gesprek, merk ik dat presentie echt fundamenteel is. Waarom is dat zo noodzakelijk, als je het kort zou samenvatten?
Omdat mensen sociale wezens zijn, hoe ver iemand ook weg is van de werkelijkheid. Zelfs als iemand in een staat van wanen of hallucinaties verkeert, weet hij nog steeds of iemand het goed met hem voorheeft. Ik ben ervan overtuigd dat zelfs de kleinste gebaren, zoals een schouderklopje of simpelweg aanwezig zijn, binnenkomen. Presentie betekent er zijn voor iemand, zelfs als er niets gezegd wordt. Het gaat erom die nabijheid en veiligheid te bieden.
Er is een therapie, de pre-therapie van Prouty, die bij katatone mensen wordt toegepast. Deze mensen reageren nergens meer op, maar door simpelweg naast hen te staan en dezelfde bewegingen te maken, kan er weer contact ontstaan. Dat toont aan dat zelfs de kleinste vorm van contact belangrijk is. Het gevaar is dat je het geloof in die presentie verliest als er lange tijd geen reactie komt. Ik heb ooit een psychiater gehoord die over een patiënt zei: ‘Dat is een zak patatten. Als je die oppakt en daar neerzet, blijft hij staan.’ Die psychiater keek niet door die oppervlakkigheid heen en zag niet dat er in het hoofd van die man nog van alles omging. De connectie is superbelangrijk. Een andere psychiater schreef in een rapport over een patiënt: ‘Vermoeden van dementie, alleen nog oppervlakkig contact, schone schijn waarachter niets meer zit van denken.’ Toen ik de patiënt hiernaar vroeg, zei hij: ‘Ik houd alles achter, want als ik iets over mezelf vertel, moet ik hier langer blijven.’ Dat illustreert hoe belangrijk het is om je eigen houding en de sociale interactie in vraag te blijven stellen.
Tot slot, kun je een voorbeeld geven van hoe krachtig dromen en hoop kunnen zijn?
Ik herinner me een jongeman die ooit vertelde dat hij als kind met zijn grootvader in de vrachtwagen meereed. Hij zei: ‘Misschien word ik ooit nog vrachtwagenchauffeur, zoals mijn grootvader. Misschien ook niet, maar ik vind het fijn om erover te dromen.’ Soms is het niet nodig om dromen uit te voeren, maar alleen al het delen ervan kan veel betekenen. Het laat mensen beseffen dat er mogelijkheden zijn.
Ik schreef ooit een column over dromen. Een zin die ik daaruit vaak herhaal is: niemand heeft er ooit over gedroomd om in een psychiatrisch centrum opgenomen te worden, maar de mensen die daar verblijven hebben wel dromen. Het is belangrijk om bezig te zijn met wat mensen gelukkig maakt, ook al gaat het om kleine, persoonlijke dromen.